Oorsprong van het geslacht WATERREUS

Legende uit een oude kroniek in het bezit van de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage


Vgl. "de Gids" 1865. Aug. 289

In overoude tijden, toen nog niet eens het gehucht bestond, dat later zich in het woud
rondom 's-Gravenhage, onder schuts van het grafelijke jachtslot gevormd heeft, woonden
reeds aan het strand, waar nu Scheveningen is, enkele vissers, die hier en daar verspreidt hun
hutten hadden opgeslagen. Hun gevaarlijk bedrijf kostte aan velen het leven. Zo was ook
BALDERT met zijn boot in de storm vergaan. De weduwe en dochter, die hij achterliet,
moesten leven van hetgeen medelijdende buren van hun vangst afstonden en overigens zelf
hun bestaan vinden bij de schelpdieren en vissen, die zij aan het strand raapten en bij kruiden
en wortelen en vogeleieren, die zij in het duin verzamelden. Dat was een armelijk en treurig
leven voor die verlatene vrouwen. MOOI - zo heette de dochter - zwierf dikwijls de ganse
dag langs het strand, terwijl de oude moeder ziek thuis lag, zonder voedsel genoeg ook maar
voor 1 dag te vinden.
Zij had eindelijk een plek ontdekt, een heel eind noordwaarts van haar woning, waar de
terugwijkende vloed in een door de natuur gevormde geul een vrij brede en diepe plas
achterliet, waarin dan ook kleine vissen met zeesterren, kwallen en andere wonderlijke
schepsels achterbleven. Daarheen spoedde zij zich gewoonlijk als de voormiddag begonnen
was. En als zij dan soms, na een nachtvloed, in de vroegte tegen zonsopgang aan het plekje
gekomen was, dat haar lief geworden was, dan kon zij wel eens lang zittende mijmeren en
dromen aan het strand en staren op de eenzame en grenzeloze zee, waarover de opgaande
zon haar licht uitgoot.
En zichtbaar werd de arbeid van het lieve kind door hogere machten gezegend. Bij elke
morgenvloed werd de plas gevuld met de kleurigste vissen ook zulke, die anders zelden aan
het strand gevonden worden. Niet alleen verzamelde zij hier elke dag genoeg voor het
levensonderhoud van haar en haar moeder, maar zij kon zelfs wel van haar voorraad aan
andere, even arme lieden uitdelen of aan vissers, die met ledige netten te huis keerden,
afstaan.
Dit wekte echter, zoals dat gaat, bij de buren meer afgunst en haat dan dankbaarheid op; en
zelfs vertelde men achter haar rug, na haar weldaden genoten te hebben, dat MOOI met
toverkollen in betrekking stond en 's nachts met deze wanschepsels op drijfhout de zee in
voer om de netten van de vissers leeg te roven; doch het argeloos en eenvoudig kind ging stil
haar weg en dacht er niet eens aan dat er wel eens kwaad over haar gesproken kon worden.
Eens op een morgen toen zij vroeger dan anders, voor de kentering van het tij was uitgegaan,
had zij een zonderlinge verschijning. Toen zij de haar welbekende plek naderde, zag ze
duidelijk iets dat een menselijk lichaam scheen, in de golven onder gaan. Zij wachtte lange tijd
en bleef turen naar de plaats waar die gedaante door haar gezien was, helaas, er kwam niets
meer boven. En ook nadat de eb het brede strand had blootgelegd, bleek er niets te zijn
aangespoeld, behalve de zeeplanten en schelpen, die de vloed gewoonlijk achterliet.
Zij keerde huiswaarts, ontsteld en angstig, maar niet minder nieuwsgierig of de verschijning
zich morgen weer vertonen zou. En of schoon de vloed de volgende dag een uur later kwam,
sloop ze al bij nacht uit de hut om van achter het duin de plek te bespieden. En zie, daar
ontdekte zij bij het schijnsel der ondergaande maan het hoofd en het bovenlijf van een
forsgebouwde jongeling, die halverlijve uit de golven oprees, juist waar zij gewoon was haar
dagelijkse voorraad vis te vinden. Maar toen zij zich naar de oever spoedde was hij wederom
verdwenen en tevergeefs bleef zij ook nu op zijn terugkomst wachten tot de zon al hoog aan
de hemel stond.
Toen zij thuisgekomen alles aan haar moeder vertelde, sloeg deze ontzet een kruis en riep:
"Kind, dat is de Waterreus!: Neem je in acht, dat hij je niet in de golven meesleept."
Daarover was Mooi zeer bedroefd en vele dagen meed ze de plaats waar ze anders haar
voorraadje vis verzamelde. Maar helaas, nu moesten zij ook weer gelijk vroeger gebrek lijden
en het arme kind had daarover veel verdriet. De oude moeder klaagde over honger, de lieden
aan wie zij vroeger van haar voorraad had mee laten delen, waren boos en beschimpten haar
en zeiden dat ze wel een grote zonde gedaan moest hebben omdat ze zo zichtbaar door de
goede heiligen verlaten was. De vissers bij wie zij om voedsel kwam voor haar moeder
joegen haar bars weg.
Zo werd zij wel genoodzaakt alle gevaar te trotseren en de plaats weer op te zoeken waar zij
de waterreus gezien had. En zie, toen zij in de vroege morgen weer op die plek aankwam,
was daar ook de schone jongeling, drijvende op de golven zodat het hoofd, de schouders en
de blanke borst zich rechtstandig uit het water verhieven. Nu echter dook hij niet onder maar
sprak het meisje aan "Mooi", zei hij, "waarom mijd je me en waarom versmaad je mijn
gaven?"
Zij antwoordde: "Omdat gij een boze geest zijt, die mijn verderf zoekt"
Toen antwoordde hij: "Waarom beschuldig je mij dat ik je verderf zoek? Ben ik het niet, die
dagelijks de vruchten der zee voor je verzamel zodat je in overvloed kunt leven? Zijn het niet
veeleer de boze mensen, die je ongeluk willen, de mensen die je afwijzen, verstoten en
beschimpen? Ik heb je lange tijd gadegeslagen als je langs het strand dwaalde bij nacht en
dag, bij hitte en koude, bij storm en onweer om je moeder te verzorgen. Je deugd en je moed,
je geduld en kinderlijke liefde hebben mijn hart verwarmd, blijf op mij vertrouwen, ik zal over
je waken."
Daarmee verdween hij in de diepte en net als vroeger lag daar een rijke voorraad vis voor
haar klaar.
Vanaf deze tijd ontmoetten zij elkaar dagelijks en zij voerden vertrouwelijke gesprekken. De
waterreus was zo goed en zo zacht, dat het meisje alle vrees liet varen. Hij vertelde haar van
de wonderen der zee en hoe liefelijk het was daar onder die groene doorschijnende golven.
En als ze dan scheidden ging zij peinzende naar huis en verlangde onderweg alweer naar de
volgende morgen, zodat zij opnieuw zijn tedere stem, die klonk als het zacht ruisen der
wateren, zou kunnen horen. Zij dreef de stoutmoedigheid wel zo ver dat ze hem tot in het
water tegemoet ging om aan zijn zijde te staan en hem beter te horen. Doordat de eb inviel
moesten hun gesprekken telkens plotseling afgebroken worden; de waterreus spoedde zich
zeewaarts en verdween in de diepte.
Maar eens gebeurde het dat hij tot haar sprak: "Waarom zou je niet eens met mij gaan onder
de koele vloed en delen in het eindeloos gelukkig leven dat wij daar beneden leiden? Als je
eens wist hoe schoon en heerlijk het daar is, je zou niet aarzelen. Wat is dit armelijk leven van
de kinderen der mensen aan het dorre strand vergeleken bij het onze? Kommer en ellende,
gebrek en honger zijn hun dagelijks deel, zij arbeiden en lijden, worden ziek en oud en
hulpeloos. De zomerhitte schroeit hen, de winterkou verteert hen de stormen verwoesten hun
werk. Machteloos zijn ze de prooi van het vernielend spel der elementen. En als ware dit nog
niet genoeg zij plagen en kwellen elkaar en haten zichzelf en anderen in die korte tijd dat zij
mogen leven. Tenslotte sterven ze. Hoe liefelijk is het daarentegen in onze kristallen paleizen,
waar rust en vrede eindeloos heersen, waar al wat leeft in de wateren ons onderdanig is, waar
schone tuinen bloeien met de prachtigste planten en met bomen van koraal, door geen
menselijk oog ooit gezien, waar de zon die aan de hemel brandt, neerdaalt, wanneer het de bij
de mensen donkere nacht is, om ons met haar stralen te verheugen.
Ons behoren de schatten, die de roekeloze mensen in hun overmoed in hun broze vaartuigen
laden om ze dan in de storm te gronde zien aan. Wij verzamelen de overrijke buit en versieren
er onze woningen mee. Doch de lichamen der stervelingen, die in de golven het leven
verliezen, bergen we diep onder het blinkende zand en we leggen ze naast elkaar, ze getrouw
bewarend tot voor hen de dag der verrijzenis zal zijn aangebroken.
"Maar" zei de waterreus "ons behoort de eeuwige jeugd; wij kennen geen leed en geen
zorgen, wij weten van geen sterven noch van de angsten des doods. O kom schone maagd,
volg mij onder de koele vloed in onze kristallen paleizen en deel met mij een eindeloos
gelukkig bestaan". Zo sprak hij, zo zong hij met zijn zachte verlokkende stem. Reeds pakte
hij haar hand om haar met zich mee te trekken in de diepte. Zij rukte zich los en sprak: "nu
weet ik dat gij de waterreus zijt en mijn verderf zoekt. Wel heb ik u lief want gij waart goed
voor mij, terwijl de mensen mij veel leed hebben gedaan,
Uw stem klinkt mij zo onweerstaanbaar in de oren. Wel moge het heerlijk zijn te verblijven in
uw kristallen paleizen onder de koele golven, maar ik moet leven dat leven wat mij als deel
toebeschikt is; ik moet zorgen en arbeiden voor mijn moeder, dat is mijn plicht.
Zo gij wist hoe zalig het is voor zijn plicht te leven zo zoudt u mij niet verlokken om met u
mee te gaan, maar gij zoudt begeren uw schitterende paleizen te verlaten om onder ons
stervelingen te verkeren, te arbeiden, te lijden, te strijden en te ontberen, lief te hebben,
dankbaar te zijn en te geloven." "Ik weet wat het is lief te hebben" sprak de waterreus "want
gij hebt het mij geleerd. Jou heb ik lief met een onuitsprekelijke liefde, jij die zo goed bent en
zo vroom en zo trouw in de vervulling van je plicht. Daarom heb ik je mijn gaven
aangeboden, daarom voel ik me zo tot je aangetrokken, dat ik mijn paleis verlaat om je elke
dag even te zien. Jij hebt me een gevoel doen kennen dat ik daar onder die koele gewelven
nooit vinden kon. Kom dan met mij mee zodat wij voor altijd bij elkaar zijn en elkaar lief
kunnen hebben."
Maar zij antwoordde wederom: "Neen, gij kent de liefde niet. De liefde zoekt niet zich zelf,
maar verloochent zich; zij leeft van opoffering, zij groeit slechts door lijden, zij put haar
kracht uit hopen en geloven. Nu dan indien u mij waarachtig liefhebt, gelijk ik u lief heb, deel
met mij het moeitevolle leven der stervelingen, het leven van arbeid en plicht, van zorgen en
ontberingen. Ik zal u een getrouwe levensgezellin zijn tot de dood ons scheidt."
"Ach," zei hij "graag zou ik willen, want nu eerst heb ik van je geleerd wat liefde is en ik voel
dat ik je aldus liefheb. Maar ik ben aan de zee gebonden, ik kan niet eigenmachtig mijn ban
verbreken. Alleen wanneer een mensenkind met gevaar van eigen leven, in het holle van de
nacht, onversaagd, zonder aarzelen of omzien, zonder een woord te spreken of een zucht te
slaken de zee ingaat en driemaal plechtig het teken des kruises op mijn voorhoofd maakt is de
verlossing voor mij mogelijk; doch wie zal dat willen en kunnen doen?."
Toen sprak de edele maagd met kalme moed "Dat zal ik doen".
"Neen, mijn geliefde" riep de waterreus uit "want weet wel dat je leven er mee gemoeid is, zo je maar
een ogenblik zwakte toont. Want de machten der zee zijn de mensen vijandig en zoeken hen te
verderven. Alleen een onbezweken moed houdt hen in bedwang.
Zij antwoordde daarop nogmaals kalm en ernstig: "Ik zal het doen."
"Welnu, kom dan hierheen te middernacht, na de eerstvolgende nieuwe maan".
"Het zal geschieden" sprak Mooi.
En toen die nacht gekozen was, een vreselijke nacht, sloop zij stil langs haar slapende moeder en
ondernam de tocht naar het strand, sterk door haar reine onschuld, moedig door haar liefde, gelovig
vertrouwend op de bescherming des hemels. De storm bulderde, de zwarte wolken overdekten het
uitspansel en joegen haar regen en hagel in het gezicht, maar ze ging rustig en vastberaden haar weg,
ondanks stormen, regenvlagen en hageljacht.
De golven, door de springvloed opgezweept, sloegen om haar heen en dreigden haar omver te werpen en
mee te slepen; zij worstelde echter vastbesloten door de golven heen en vervolgde haar weg.
Blauwe lichten flikkerden akelig op de zee en schelle kreten als van schipbreukelingen klonken haar in
de oren, maar zij keek niet om, noch links of rechts.
En zie, daar lag de jongeling op de plek waar ze altijd haar voorraad vis had verzameld. Hij lag daar
met gesloten ogen en bleek als een lijk in de golven uitgestrekt. Alleen het hoofd en de schouders waren
zichtbaar, de romp slingerde in de schuimende branding heen en weer, alsof onzichtbare banden het
lichaam van onder vasthielden, zoals een boei slingert boven de plek waar het anker zich diep in de
grond heeft gehecht.
Tot de borst moest zij waden door de hoge onstuimige vloed om hem te kunnen bereiken. Toen ze
eindelijk bij hem gekomen was hief ze de rechterhand op en maakte het teken des kruises op het blanke,
kille voorhoofd van de zeemeerman. Bliksemstralen schoten naar omlaag , donderslagen ratelden en de
orkaan loeide met verdubbelde woede.
Maar ten tweede male hief Mooi haar hand op en maakte het kruisteken op het door de zilte golven
omspoelde voorhoofd van de jongeling. De monsters der zee grimden haar tegen, met hunne schrille
grote ogen gluurden zij haar aan en sperden de brede muil als om haar te verslinden; de afschuwelijke
meerminnen doken op uit de diepte, staken de handen naar haar uit en omslingerden haar met hun groene
haren.
Maar ten derde male verhief zij hare handen en maakte het teken des kruises op het blanke levensloze
voorhoofd van de jongeling. Toen loosde zij een diepe zucht.
"Verloren" gilde het uit de diepte. Maar "behouden" klinkt haar een volle zoete stem in de oren en de
WATERREUS sprong op in zijn volle mannelijke lengte en droeg haar in zijn armen op het duin.
En de zee week terug en alles werd stil.

MOOI en WATERREUS bouwden zich een huis en hij timmerde zich een groot schip, waarmee hij ter
visvangst voer; zij smaakten het lief en leed der menselijke levens; zij moesten arbeiden en strijden,
lijden en ontberen, maar zij hadden elkander lief tot de dood hen scheidde, en hun talrijk nageslacht
woont nog heden terzelfder plaatse waar zij gewoond hadden, in het duin nabij 's-Gravenhage